In 2015 heeft een decentralisatie plaatsgevonden van de jeugdzorg, die nu in zijn geheel onder verantwoordelijkheid valt van de gemeentes. De achterliggende gedachte was dat er een betere verbinding zou komen met andere, op preventie gerichte gemeentedomeinen, zoals jeugdgezondheidszorg, schuldhulpverlening en sociaal-maatschappelijk werk. Er zou dan een samenhangender ondersteuning aan gezinnen kunnen worden geboden.

Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen in de jeugdzorg over de afgelopen twintig jaar, en of we daar nu iets van kunnen leren. “We hebben onder andere gekeken naar meerjarige trends in het jeugdzorggebruik. Dit zorggebruik blijkt onder de jeugd tot en met zeventien jaar enorm te zijn gestegen. Belangrijke oorzaken blijken de steeds hogere eisen die men aan de kwaliteit van het leven stelt, het problematiseren van alledaagse worstelingen in het opvoeden van jeugdigen, en het steeds toegankelijker maken van jeugdzorg. Er zijn wijkteams ingericht met het idee de toegang tot de zorg beter te maken.”

Preventie

Toegankelijkheid van de zorg vindt Van Yperen een goede zaak, maar mag niet tot een nog grotere druk op de gespecialiseerde zorg leiden. “Met de decentralisatie hadden we verwacht dat gemeentes meer zouden doen aan preventie, waardoor de behoefte aan gespecialiseerde jeugdzorg zou afnemen. Bijvoorbeeld met scholen is af te spreken hoe leraren het drukke, onrustige en verstorende gedrag van kinderen in goede banen kunnen leiden. Daar zijn heel effectieve programma’s voor. Met consultatiebureaus zijn oudercursussen te organiseren, om ouders beter om te leren gaan met gedrag van hun kinderen dat ze als lastig ervaren. Gemeenten zijn er echter nog onvoldoende aan toegekomen om hier goed beleid op te maken.” Jeugdzorg wordt ook oneigenlijk gebruikt. “Er komen kinderen in de jeugdzorg omdat het thuis niet goed gaat. De oorzaak ligt lang niet altijd bij het kind of de opvoedingsaanpak, maar heeft vaak te maken met financiële problemen, echtscheidingssituaties en psychische problemen van de ouders zelf. “

Bezuinigingen

Waarom hier nog onvoldoende aan is gewerkt, komt doordat er tegelijkertijd met de decentralisatie een flinke bezuinigingsronde is doorgevoerd, terwijl er een meerjarige trend is van alleen maar toenemend gebruik van de zorg. De gemeentes hebben dus een loodzware klus gekregen, omdat ze geen geld hebben om in een beter en efficiënter stelsel te investeren. Hoe kan deze vicieuze cirkel worden doorbroken? Van Yperen: “Dit is een situatie die langzamerhand zo is gegroeid. Er komt nu geld bij, maar dat is niet voldoende, daarmee houd je de trend in stand. Er moet een gezamenlijke visie worden ontwikkeld over wat gewoon opvoeden en opgroeien eigenlijk is, en wat men verwacht van de jeugdzorg en de preventie. Dat gespecialiseerde  jeugdzorg niet alle problemen kan oplossen.” En als er ondanks alles toch gespecialiseerde jeugdzorg nodig is? “Dan moeten we vooral letten op duurzame resultaten. Alleen een kind met gedragsproblemen behandelen werkt niet lang door, de gezinssituatie is essentieel. En er moet samenwerking zijn, bijvoorbeeld met de volwassenen-GGZ, schuldhulpverlening en echtscheidingsbemiddeling. Dat maakt de resultaten blijvender.”

Vroege levensstress of toxische stress

Ook volgens Marion van Binsbergen, directeur van het Kohnstamm Instituut, dat onderzoek doet naar opvoeding en jeugdhulp, moeten we van een domein-gebonden aanpak die zich beperkt tot inzet van jeugdhulp, naar een integrale aanpak samen met de volwassenenzorg. Als er sprake is van ernstige problemen bij de ouders of forse thuisproblematiek waarin sprake is van risicovolle omstandigheden, los je de problemen van ouders immers niet op via het kind. Eerder is het omgekeerd: je helpt het kind door de ouders te helpen of aan te spreken op risico op schade voor het kind. “Problemen komen vaak voort uit toxische stress, met als oorzaak een traumatische gezinssituatie met vaak verslaving en geweld. Toxische stress kan leiden tot ontwikkelingsproblemen, concentratiestoornissen, geheugenstoornissen, fysieke problemen en ziekte, depressie of verslaving. Extreme of vroege levensstress op de kinderleeftijd zou het uitgangspunt moeten zijn voor gesprekken en interventie: vroege levensstress terugdringen, ook samen met de ouders.” De kernvraag is: wat veroorzaakt de grootste spanningen in een gezin? Wat bezorgt het kind extreme of chronische stress? Daar moet de prioriteit van interventie liggen. En wie of wat kan voor het kind een oplossing bieden? “Het belang van het kind moet centraal staan, niet een bepaalde pragmatische oplossing, omdat deze nu eenmaal binnen de jeugdhulp voorhanden is.” Een systeembenadering van het hele gezin is bij kinderen altijd nodig, en samenwerking met de volwassenen-GGZ vaak ook. Professionals van verschillende disciplines moeten elkaar opzoeken. Van Binsbergen: “We moeten af van het begrip jeugdzorg of jeugdhulp. Het is systeemzorg. Ouderproblemen vallen nu eenmaal heel vaak samen met kinderproblemen.” Essentieel is zorg, en het organiseren van zorg die geen verdere stress toevoegt, zoals onnodige wachttijden tussen verwijzingen of bij samenwerking tussen instanties. En ook het voorkomen van onnodige regels of bureaucratie is erg belangrijk.”