De coronacrisis heeft eens te meer duidelijk gemaakt dat kinderopvang van essentieel belang is om het land draaiende te houden. Maar wie het puur als een markteconomisch instrument beschouwt, doet de sector ruimschoots tekort. Jan-Paul de Beer, oprichter van Springlab en Annet van Zon, directeur-bestuurder Spring Kinderopvang, spreken zich uit.

De coronacrisis heeft eens te meer duidelijk gemaakt dat kinderopvang van essentieel belang is om het land draaiende te houden. Maar wie het puur als een markteconomisch instrument beschouwt, doet de sector ruimschoots tekort. Jan-Paul de Beer, oprichter van Springlab en Annet van Zon, directeur-bestuurder Spring Kinderopvang, spreken zich uit.

Van Zon trapt af: “Ik geloof dat kinderopvang bij uitstek een plek is waar kinderen aangemoedigd worden om zich te ontwikkelen tot gelukkige kinderen en uiteindelijk volwassenen”. Spring Kinderopvang, dat alom vertegenwoordigd is in het zuidoosten van ons land, wil zich dan ook expliciet afficheren als een maatschappelijke onderneming dat zich naast opvang en verzorging ook heel nadrukkelijk richt op ontwikkeling.

Dat blijkt mede uit hun samenwerking met Springlab, dat met innovatieve toepassingen kinderen in beweging wil brengen. Oprichter De Beer daarover: “Ik ben met Springlab gestart om kinderen, en een beetje mijzelf, meer te laten bewegen. Eigenlijk was ik op zoek naar een maatschappelijke uitdaging waarbij ik aan een oplossing kan bijdragen. Toen merkte ik dat bewegingsarmoede een belangrijk probleem is, maar dat dat ook al ontstaat bij heel jonge kinderen in Nederland. Zo’n 80% van de peuters beweegt nog te weinig. Als we de dagelijkse activiteiten van kinderen beweeglijker maken, groeien ze gezonder op. Een van de belangrijkste, dagelijkse activiteiten is de kinderopvang en daarna de school. Daar moeten ze ook gezond opgroeien. Zodoende zijn wij met bewegend leren in de kinderopvang bezig. Van Zon reageert: “We zijn dus niet alleen een arbeidsmarktinstrument, wat overigens óók van belang is, maar vooral een plek waar een rijke pedagogische speelleeromgeving gecreëerd wordt. Kinderen hoef je niet aan het leren te zetten, die leren voortdurend. Door ze in een omgeving te plaatsen waarin ze meer dan genoeg uitgedaagd worden, is er voldoende leerstof voor handen.”

Naast goed materiaal aanbieden is het ook van belang om zoveel mogelijk kinderen te bereiken, volgens van Zon. “In het samenspel van opvang en school kun je een programma maken waarmee je ook kansengelijkheid bevordert. Bekend is dat als je investeert in hele jonge kinderen om eventuele achterstanden in te halen, je een stimulerende bijdrage kunt leveren vanuit de kinderopvang. Als die stimulans stopt, wanneer kinderen naar school gaan en thuis of tijdens de vakantieweken niet meer in een rijke pedagogische omgeving verkeren, dan blijkt dat wat je er aan de voorkant ingestopt hebt er op twaalfjarige leeftijd aan de achterkant uit is gelopen. Die kinderen hebben niet alleen op postcode of achternaam, maar ook op pedagogische ervaring dan echt een enorme achterstand, waardoor je uiteindelijk een cirkel in stand houdt. Die cirkel willen we doorbreken.”

Die extra stimulering voor peuters; de voorschoolse educatie, is nu al beschikbaar voor alle kinderen, in alle situaties. “Zij krijgen een prachtig peuterprogramma aangereikt dat heel erg te vergelijken is bij wat kinderen op kinderdagverblijven aangereikt krijgen. Dat is voor hen ook bereikbaar, terwijl hun ouders niet allebei werken. Zij hebben daardoor geen recht op kinderopvangtoeslag en dus geen toegang tot kinderopvang. Via dat peuteraanbod krijgen ze dat wel. Maar omdat ze ook daarna geen recht meer op kinderopvang hebben, gaan deze kinderen niet naar de buitenschoolse opvang. En juist daar gaan kinderen na schooltijd met elkaar spelen, in plaats van dat ze thuis achter de computer kruipen of op straat zwerven. Ik heb liever dat die kinderen naar de BSO komen, dan dat je maar een gedeelte in ze investeert en ze niet het volle pond aanbiedt.”, aldus van Zon.

De Beer vult haar aan: “Een rijke leeromgeving geeft een stimulans aan de ontwikkeling van kinderen die ze anders niet hadden gehad, als ze niet naar zo’n plek gaan. Een mooi voorbeeld daarvan zijn buitenlandse kinderen die nog geen Nederlands spreken. Onze interactieve vloeren zijn heel visueel, waardoor deze kinderen intuïtief gewoon kunnen meedoen. Ze worden gestimuleerd om mee te gaan spelen, maar omdat er allemaal taal in verwerkt zit, leren ze vanzelf Nederlands praten. We hebben een mooi voorbeeld van een Syrisch meisje dat geen Nederlands kon en gewoon spontaan Nederlands begon te praten. Als dat meisje niet naar zo’n rijke ontwikkelomgeving komt, krijgt ze dat weer minder makkelijk mee.”

Het voorstel van staatssecretaris Van Huffelen om de kinderopvang publiek te financieren kan dan ook op gejuich van beiden rekenen: “Dat zou een fantastische beweging zijn.”, zegt Van Zon. “Dan bereik je in ieder geval álle kinderen en kun je daadwerkelijk die doorgaande ontwikkellijnen gaan vormgeven. En je hebt de BSO toegankelijk voor de kinderen die anders op straat zouden zwerven.” De Beer: “Dit zou wel echt de kansengelijkheid enorm vergroten. Ieder kind heeft dan in ieder geval de mogelijkheid om naar de opvang te kunnen komen. Of ze daadwerkelijk gaan komen is nog te bezien, maar we mogen ze die mogelijkheid niet ontnemen.”